07/01/2010 - Joost van den Hoek

Functiemenging als wonderolie voor de stadsontwikkeling?

Stedelijke planning kan condities creëren, maar biedt geen garanties voor attractieve stedelijkheid

In de zoektocht naar ingrediënten voor een nieuwe modus operandi voor de gebiedsontwikkeling na de crisis wordt functiemenging opvallend vaak genoemd als tovermiddel voor stedelijke problemen. De rapporten over functiemenging van stadsregio’s en planbureaus dalen als een sterrenregen over ons heen. Maar wat schieten we hiermee op?

 

De teneur van beschouwingen over functiemenging is meestal dat de scheiding van stedelijke functies in het kielzog van de industrialisatie en de economische modernisering in een ver verleden waardevol was. Inmiddels is deze ideologie vervallen tot een bureaucratische reflex die weinig meer van doen heeft met wonen, leven en werken aan het begin van de 21ste eeuw. Daarnaast is de scheiding van werken en wonen minder relevant omdat productie in een diensteneconomie niet meer zoveel overlast genereert als tijdens het industriële tijdperk het geval was. Ook de Europese stedenbouwtheoreticus Francois Ascher voorziet een voortschrijdende menging van functies in de stad als een gevolg van toenemende verknoping van netwerken, oprukkende informatietechnologie en het vervagen van de grens tussen werk en privé.

 

De voordelen van functiemenging en gemengde gebieden zouden talrijk zijn. Het zorgt voor levendiger en aantrekkelijker gebieden, is veiliger door meer toezicht overdag, en efficiënter en duurzamer in ruimtegebruik. Daarnaast zou het de waarde van de woning en woonomgeving verhogen, en geeft het meer flexibiliteit omdat je de ene functie door de andere kunt vervangen in processen van stadsontwikkeling. De obstakels voor functiemenging zijn in deze beschouwingen overigens ook altijd evident. De starre verbeeldingsloze regelgeving van de gemeente, de onwilligheid en de onkunde van gebiedsontwikkelaars maken dat er niet vaak in de combinatie van functies wordt gedacht.

 

Hoe komt het dan dat er toch nog steeds overwegend monofunctionele nieuwbouw en gebiedsontwikkeling wordt bedreven? Een van de onderliggende oorzaken is dat professionals in de ruimtelijke ordening een andere definitie van het begrip functiemenging hanteren. De corporatiedirecteur verstaat onder functiemenging een combinatie van huren en kopen met een winkeltje in de plint van gebouwen, voor de wethouder betekent functiemenging de aanwezigheid van autochtone en allochtone buurtondernemers en voor de projectontwikkelaar is functiemenging die leuke horecagelegenheid, die zorgt voor branding van zijn project. Een architect ziet het begrip op zijn of haar beurt weer als stapeling van meerdere functies in een bouwwerk, terwijl de stedenbouwkundige functiemenging meestal ziet als een combinatie van wonen en werken. Daar komt bij dat alle betrokkenen ook nog eens praten over verschillende schaalgrootten: gaat het over het gebouw, het bouwblok, de buurt, de wijk of het stadsdeel?

 

artikel afbeelding Damrak - hoge mate van functiemenging (bron: Joost van den Hoek)

 

Op het schaalniveau van de stad als geheel is de functiemix van wonen, werken en voorzieningen de afgelopen tweehonderd jaar amper veranderd. Maar de korrelgrootte van de verschillende functionele onderdelen is toegenomen van pand tot blok tot wijk.

 

Is het niet raar dat wij in Nederland vinden dat we stedenbouwkundig best virtuoos bezig zijn terwijl er zestig jaar na de grande dame van de stedenbouw Jane Jacobs geen systematische poging gedaan is tot uitwerking van de definitie en instrumentaliteit van het begrip functiemenging? In een tijdsbestek waarin we aan de vooravond staan van een nieuwe periode in de stadsontwikkeling en perceptie van stedelijkheid zou dit erg goed van pas kunnen komen. Het uitbreiden van het stedenbouwkundig instrumentarium met definities, die iets zeggen over menging en functionele compositie zou kunnen helpen met de transitie van een sec ruimtelijke en beeldgerichte benadering naar een geïntegreerde benadering van het vak. Waarin naast de ruimtelijke benadering ook plaats is voor sociale en economische aspecten bij het definiëren van milieu en stedelijkheid.

 

In mijn promotieonderzoek “meten met de MXI (mixed use index)” probeer ik te komen tot een meer systematische benadering en definitie van het begrip functiemenging. In tegenstelling tot de traditionele (planologische) inventarisatie van functiemenging als de verhouding van arbeidsplaatsen/inwoners per postcodegebied, wordt in mijn onderzoek gemeten naar vierkante meters vloeroppervlak voor wonen, werken en voorzieningen. Voor voorzieningen geldt dat hier substantieel meer bezoekers komen dan werknemers. Daarnaast is de gebiedsindeling niet gebaseerd op de tamelijk willekeurige gebiedsindeling op basis van postcodes, maar op basis van ruimtelijk stedenbouwkundige eenheden die corresponderen met de ervaring van de dagelijkse leef- en werkomgeving. Op deze wijze kan de opbouw van stad systematisch worden geanalyseerd, en kunnen verschillende steden met elkaar worden vergeleken.

 

Voor Rotterdam en Amsterdam komen hieruit een aantal opmerkelijke conclusies: Functiemenging komt vooral voor in centraal gelegen gebieden en niet in de periferie. Het zijn meestal gebieden die niet planmatig tot stand gekomen zijn, maar historisch gegroeid. Er zijn veel gemengde gebieden aan te wijzen met een positieve beleving en sterke waardeontwikkeling. Er zijn echter minstens evenveel gemengde gebieden aan te wijzen waar menging op geen enkele wijze ressorteert in een aantrekkelijk, duurzaam en waardevol gebied. Ga maar eens een rondje fietsen rond de stedelijke randwegen waar kantoorgebouwen, loodsen en woningblokken liefdeloos en kriskras door elkaar staan. Het blijkt dat om de positieve aspecten van functiemenging te scoren zijn een aantal andere criteria van belang zoals voldoende variatie in korrelgrootte, een duidelijk opbouw in blokken en openbare ruimtestructuur, een goede dooradering van het gebied, en voldoende architectonische variatie in stedenbouwkundige samenhang.

 

artikel afbeelding 'Gerijpte' functiemenging: het Nieuwe Werk in Rotterdam (bron: Bing Maps)

 

artikel afbeelding 'Rauwe' functiemenging: Ceintuurbaan A20 in Rotterdam (bron: Bing Maps)

 

In mijn onderzoek komt naar voren dat menging van functies met name positief is in die gebieden met een rijpe functiemix zoals de Pijp en de Plantage. Gebieden die het product zijn van historische accumulatie van puntsgewijze veranderingen in de tijd, en niet van instant bouwproductie en gebiedsontwikkeling.

 

Voordat de gebiedsontwikkeling na de crisis doorslaat naar het gedachteloos, kleinschalig combineren van activiteiten is het zinvol om verder te studeren op principes en meerwaarde van gemengde stedelijkheid. Een rijpe en gebalanceerde functiemix in stedelijke gebieden kan gezien worden als het patina dat ontstaan is door de loop van de tijd. Met de planning van stedelijke gebieden en het ontstaan van een mooie, attractieve menging is het net als met mooi oud worden. Je kan er de condities voor creëren en je kan erop hopen, maar bij de geboorte is het niet gegarandeerd.

 

 

---

Foto boven: Vismarkt Groningen (bron: Sjors de Vries)

 

Gerelateerde artikelen op RUIMTEVOLK o.a.:
'Van rooilijn naar stedelijkheid' 
Het geheim van Hamburg
Wonen waar je werkt, werken waar je woont

AUTEUR
Joost van den Hoek
is als stedenbouwkundige verbonden aan Inbo stedebouwkundigen adviseurs en architecten en schrijft een proefschift aan de TU Delft. In zijn dissertatie ontwikkelt hij een gebiedsindex MXI (mixed use index) die menging in een gebied weergeeft zoals de FSI de dichtheid. De MXI is inmiddels ingezet voor de economische verkenning van Rotterdam 2010. joost.vandenhoek@inbo.com


Print dit artikel
Reacties bij dit artikel

08/01/2010 – Jeroen Niemans

Dat functiemenging vooral voorkomt in centraal gelegen gebieden en niet in de periferie en dat dit zo historisch gegroeid is zou ik niet echt een opmerkelijke conclusie willen noemen. Dat in de binnenstad de meeste functies door elkaar zitten is niet nieuw.
Vraag is of je in woonbuurten aan de periferie van de stad wel functiemenging moet willen. Niet iedereen wil in de Pijp wonen of werken. En daar is niets mis mee. In mijn ogen zal een stad een palet aan milieus moeten bieden, met ieder een ander MXI

11/01/2010 – gerard tolner

Er moeten bij nieuwbouw goede voorwaarden worden geschapen om functiemenging beter mogelijk te maken. De hogere benedenetages en solids zoals Amsterdam IJburg dragen daar m.i. toe bij. Functiemenging is ook gunstig voor de ontwikkeling van wijkeconomie

STELLINGEN FUNCTIEMENGING EN WIJKECONOMIE

1. Wijkeconomie wordt te eendimensionaal in verband gebracht met het oplossen van het vraagstuk van wijkwerkloosheid, of soms met het romantiseren van de hoekwinkeltjescultuur; ook die tak van wijkeconomie is belangrijk, maar veel meer nog is wijkeconomie belangrijk in de verschijningsvorm van het accommoderen van starters van bedrijven, om zo het regeneratievermogen van de stad als economische motor op te voeren, en om zo bij te dragen aan maximale ontplooiingskansen van daarbij behorende leefstijlen

2. Functiemenging gepaard met een breed en gevarieerd aanbod van woningen (waaronder woonwerk) biedt mogelijkheden voor optimalere afstemming van het tijd-ruimte budget van (m.n. 2-verdieners) huishoudens;

3. Door deze grotere mogelijkheid van aanpassing van woonplek en/of werkplek(ken) ontstaat er een (betere) randvoorwaarde voor invoering van (prijs-)maatregelen die de per saldo automobiliteitsbeperking van woonwerk verkeer tot doel hebben, en zo bijdagen aan de doelstelling duurzame stad(sregio)

11/01/2010 – Richard Koekoek

Dag Joost,

je onderzoeksopzet riep bij mij (goede!) herinneringen op aan mijn afstudeeronderzoek naar de toekomstwaarde van de Vinex-wijken Ypenburg en Leidschenveen. 10 jaar geleden beweerden sommigen, dat het een "kakafonie van kleuren en materialen" was, terwijl anderen meenden dat hun eentonigheid deze wijken tot "de probleemwijken van de toekomst" maakte. Ook hier gold, dat het erom gaat op welk schaalniveau en met welke korrelgrootte werd gevarieerd. Immers: in de binnenstad is ieder pand uniek, maar toch weet iedereen direct dat hij/zij zich in de binnenstad bevindt. Maar die herkenning heb je in de Bijlmer ook.

Mijn toenmalige conclusie: het gaat erom in het stedenbouwkundig ontwerp condities te creeren, die variatie mogelijk maken. De vraag of de gewenste variatie vanaf het eerste moment wordt 'ontworpen' of pas later ontstaat, en waar dan precies, is dan minder van belang.
Denk bijvoorbeeld aan een niet-orthogonale verkavelingsopzet. Inderdaad: niet direct iets waar marktpartijen op zitten te wachten. En dus (nog steeds) een uitdaging voor de toekomst.

Succes gewenst - ik blijf je vorderingen graag volgen!

08/01/2010 – Stefan van de Schootbrugge

Gebieden met een hoge MXI, en waar de woonfunctie over het algemeen dominant is hebben naar mijn mening een hoge waarde. Het zijn meestal gebieden waar bewoners met meer geld (niet perse inkomen) wonen of worden aangetrokken (gentrification) en waar de overige functies vaak kleinschalig (schattig) van aard zijn.

De bewoners, die naast inkomen soms ook nog eens meer vrije tijd hebben, bevorderden verschillende functies in de wijk, zoals vrije tijds functies, horeca etc. Die functies hebben weer een positieve invloed op de waardeontwikkeling van de wijk.

Dit los van het feit dat bewoners in het centrum ook afhankelijk zijn van veel \"niet fysiek aanwezig gewenste\" en \"rendabele\" functies, bijvoorbeeld logistiek. Een goedkope locatie voor je distruditiecentrum is natuurlijk niet in De Pijp. Die kratjes bier bij de AH komen ook niet uit de lucht en die Metro\'s kunnen we snachts ook niet gaan stallen op het Rembrandtplein. Dit brengt ook meteen weer de onaantrekkelijke grootschaligheid buiten het centrum in perspectief.

De onbelans tussen centrum en periferie is hiermee vrijwel onoplosbaar en is het inderdaad de vraag of we dit willen oplossen en kunnen oplossen.

De creatieve sector maakt wel waarde, en dit is bijzonder omdat het hier (meestal) niet om mensen met geld gaat.

De meest complexe manifestatie ooit blijft de stad.

08/01/2010 – Errik Buursink

Beste Joost,

Interessant en helder stuk. Ik heb één aanmerking, namelijk dat waardevolle functiemenging alleen voorkomst in historisch gegroeide stadsdelen.

Het is een misvatting te denken dat de negentiende-eeuwse wijken in Amsterdam zich langzaamaan ontwikkeld hebben tot levendige stadswijken. De Pijp is voor een groot deel in tien jaar tijd uit de grond gestampt door een beperkt aantal bouwondernemingen. De Pijp was vrijwel direct een levendig stuk Amsterdam. Het wemelde er van de kunstenaars, schrijvers (de Tachtigers!) en ook prostituees.

kennelijk maakte de wijze waarop de Pijp gebouwd is instant stedelijkheid mogelijk. Er is dus weldegelijk een goedwerkend recept om gemengde en levendige stadswijken te bouwen. daarvoor moeten we terug naar de manier waarop in de negentiende eeuw aan stadsuitbreiding werd gedaan.

Feit is natuurlijk dat de op modernistische planningsprincipes gefundeerde wet- en regelgeving het bouwen van zulke wijken de facto onmogelijk maakt.

09/04/2010 – Maarten Markus

Functiemenging en dichtheden zijn direct aan elkaar verbonden. Zonder een bepaalde dichtheid en concentratie zijn levendige gemengde stadstraten onhaalbaar (naoorlogse wijken zijn een tekenend voorbeeld). Echter het idee van een "standaard recept" voor een levendig stadsgebied bestrijd ik. per gebied moet worden aangesloten op de bestaande stad en de mensen die er wonen. te vaak wordt om een ontwikkellocatie een groot denkbeeldig hek gezet met het idee dat bij oplevering men klaar is. nieuwe ontwikkelingen lijken qua invulling en functiemenging allemaal erg veel op elkaar en de identiteit van de stad dreigt daarmee in het gedrang te komen. De pijp "kopiëren" en elkders ontwikkelen gaat mijn inziens geen tweede pijp opleveren. de geografische ligging van deze stedelijke wijk ten opzichte van het centrum van Amsterdam is één van de kernen van het goed functioneren van de Pijp.

Oplossingen liggen er zeker wel maar vergen een andere bestuurlijke benadering, grondpolitiek, stedenbouw en rol van de ontwikkelaar.


26/04/2010 – Sabrina Struthmann

Interessante studie! Ik kan je als tip meegeven om het boek New City Life eens door te nemen. Toevallig dat dit leerstof is voor mijn studie en wellicht heb je er iets aan. Behalve korrelgrootte en dergelijke kijkt het boek naar criteria die een stadscentrum ‘goed’ maken.

Succes verder!

Plaats een reactie bij dit artikel

Naam:
Email:

Tik de volgende code over (spam preventie):
Comment: